‘En nu ben ik het zat!’
Elke ouder krijgt er weleens mee te maken: een kind met een driftbui. Zo één waar hij of zij lang in blijft hangen en maar niet tot bedaren lijkt te komen. Wist je dat jouw reactie als ouder het verschil kan maken? We geven je graag wat tips hoe je hiermee om kunt gaan.
“Houd nou eens op” en “Nu ben ik het zat!” Je herkent jezelf hier misschien wel in. Als je kind het op een schreeuwen zet, wakkert dit ook iets bij jou aan. Het triggert een reactie en vaak is die niet positief. Misschien ben je wel moe na je werkdag en zit je hier totaal niet op te wachten. Je lontje is korter en je kunt dan ook nog eens extra boos reageren. Je merkt dan dat je kind zich alleen maar harder gaat afzetten tegen jou en de situatie en jullie zouden nu allebei wel een potje willen schreeuwen…
Een kind barst niet zomaar uit in een boze bui. Er gaat iets aan vooraf. Soms is de reden voor jou overduidelijk, soms heb je geen idee. De driftbui van je kind is een uiting van diens gevoelens. Die gevoelens mogen er zijn. Dat je kind zo boos wordt, voelt voor jou wellicht overdreven. Je kind vindt het echter nog moeilijk om met zijn of haar emoties om te gaan. De gevoelens zijn groot, en in dit geval is de bui dat ook.
Veilig bij jou
Als je kind een driftbui krijgt, kun je met hem of haar niet direct verbaal communiceren. Dat is op dat moment te veel gevraagd en dus onhaalbaar. Je kind heeft nu jouw nabijheid nodig, hij of zij voelt zich niet fijn. Het ene kind wil dan graag geknuffeld worden. Houd je kind dan vast, je hoeft niks te zeggen. Je kind voelt dat je er bent en met zijn of haar gevoelens veilig is bij jou. Een ander kind wordt juist woest om in deze gemoedstoestand vastgehouden te worden. Dan doe je dat niet. Je bent wel in dezelfde ruimte en laat zien dat je beschikbaar bent.
Door nabijheid te bieden leert je kind dat boosheid er mag zijn en dat hij of zij veilig is, ook als het even niet lukt. Pas als een kind rustiger is, meestal na een minuut of 15, kun je er rustig over praten. Vermijd dan de 'waaromvragen'. Deze kunnen eerder een schuldgevoel opwekken dan inzicht geven in de situatie. Erken dat je boosheid en verdriet hebt gezien. "Ik zag je huilen, ik denk dat je verdrietig bent. Klopt dat?" Of "Ik denk dat je je boos voelt. Weet je hoe dat komt?" Je gaat op een rustige toon het gesprek aan en toont begrip. Jij blijft rustig en je kind leert op die manier van jou. Jij bent als het ware een spiegel.
Grens
"Ja, maar mijn kind wordt heel fysiek naar mij in deze driftbui. Dat vind ik écht niet oké!" Dat hoef je ook zeker niet goed te keuren. Als je kind fysiek wordt, geef je heel kort de grens aan. "Ho! Boos zijn mag, slaan niet". Je hoeft niet alles te accepteren en je kind moet ook weten wanneer er een grens wordt overschreden. Boosheid of verdriet is geen reden om deze fysieke grens over te gaan. Als kinderen erg boos zijn, hebben ze meer behoefte aan fysieke regulatie. Je kunt je kind bijvoorbeeld wel tegen je armen laten duwen of uitdagen de muur om te duwen.
Je wil je kind graag verder helpen. Daarom kun je, als de boosheid achter de rug is, er samen over praten en handvatten bieden: wat kan je kind in zo'n situatie doen, hoe kan hij of zij eerder aanvoelen wanneer zo'n bui ontstaat. Als je kind nog erg jong is, is dat lastiger. Je kunt ervoor kiezen om het uit te spelen met bijvoorbeeld Playmobilpoppetjes waarin je laat zien hoe je kind ermee om kan gaan.
Het belangrijkste is dat je kind zich niet afgewezen of schuldig voelt. Jij kunt kiezen hoe je met de situatie omgaat. Even vertragen voor je er iets negatiefs uitgooit en verdragen hoe de situatie nu even is. En dan verbinden met je kind en hem of haar helpen uit deze boze bui te komen.
Kijk naar je kind, wees die veilige haven, begrensd, maar vol liefde en vertrouwen.